Menu

autonome kunsten
Doctoraal onderzoek
Afgerond

De eeuwige wederkeer van de revenant

  • Onderzoekers: Mekhitar Garabedian
  • Promotoren: Manon De Boer (School of Arts), Filip Geerardyn (UGent, vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie)

2009 – 2015

Ik ben geboren uit Armeense ouders in Syrië en leef sinds mijn jeugd in België. Mijn eigen vreemde, Armeense afkomst en die van anderen is één van de thema’s in mijn werk, dat zich kenmerkt zich door een grote diversiteit aan media: fotografie, tekst, neon, video, geluid, installatie en publicatie. Ik onderzoek vragen rond migratie en verschuivingen in culturele context en betekenis, en tegelijkertijd sta ik stil bij de conceptuele mogelijkheden en potenties van het kunstwerk zelf; de wijze waarop het kan communiceren met de toeschouwer, het verbonden kan worden met een ruimere traditie of de grenzen van het bevattelijke verruimt of doorbreekt. De breuk is het (nood)lot van de vreemdeling; hij heeft definitief iets achter zich gelaten, maar dit blijft hem bespoken, en het blijft zijn identiteit meebepalen. Migratie en diaspora: het herinneren, verdwijnen, vergeten, verliezen, verhuizen, verraden, de verdamping, verbrokkeling van identiteit, taal, familie, cultuur, geschiedenis - het uitdoven van traditie. ‘Ballingschap maakt een kadaver van het oude lichaam, van de oude taal.’ (Kriteva, 1988) ‘Het is een wonder: het moment, vliegensvlug aanwezig, vliegensvlug voorbij, er vóór een niets, erna een niets. Dit moment komt toch nog als spook terug en verstoort de rust van een later moment.’ (Nietzsche, 1873-1876) Dit bespookt worden van de vreemdeling is enerzijds eigen aan ‘het menselijke leven dat op zichzelf terugkomt’, en anderzijds verwant met onze historische ervaring vandaag, die gedefinieerd wordt door de ambigue invloeden en latente aanwezigheid van onopgeloste geschiedenissen, van revenants en van de moderniteit. ‘Eigen aan het menselijke leven is dat het op zichzelf terugkomt, moet terugkomen omdat het nu eenmaal door zijn ‘geweest-zijn’ wordt achternagezeten. … ‘Modern’ is dus vreemd genoeg de ervaring niet aan de eigen tijd, niet aan de moderniteit toe te komen, te worden bespookt door fascinaties, gehechtheden, passies, religies waarvan het kritische bewustzijn zich bevrijd waande.’ (Vande Veire, 1996) Mijn moeder is geboren en opgegroeid in Libanon, en ook ons gezin zou zich vestigen in Beiroet, ware het niet voor de Libanese burgeroorlogen (1975-1991). De Armeense en Libanese geschiedenissen kennen beide ongeëvenaarde, buitengewone catastrofen: enerzijds genocide (die of vergeten is en/of ontkend wordt), anderzijds burgeroorlog (en een eigen soort van vergeten door de ‘unjust and scandalous general amnesty law that was passed by parliament on 28 March 1991, Law No. 84/91’). (Toufic, 2007) Withdrawl of tradition past a surpassing disaster is één van de concepten van de Libanese filosoof Jalal Toufic (Toufic, 2000). Een buitengewone ramp zorgt, behalve voor verlies (of het uitdoven) van traditie, ook voor de terugkeer van de revenant: een bespookt worden dat specifiek gelieerd is aan de ervaring van (en aan het leven na) de buitengewone ramp. Zowel de Libanesen als de Armeniërs (uit Anatolië, nu in diaspora) kunnen hun doden niet vergeten - elk op hun eigen manier: de Armeense situatie is ontstaan en evolueert sinds 1915, de Libanese sinds 1975. De houding en het discours van de Armeniërs (in diaspora) tegenover de onopgeloste geschiedenis van deze ramp en hun verlies is door de generaties heen geëvolueerd. Terwijl de Libanesen nog middenin de uitlopers van de verschillende burgeroorlogen leven. Deze doden, of liever: undead (Toufic, 2003) blijven terugkomen; de term (of het concept) revenant is afgeleid van het Franse woord revenir. In de huizen van Armeniërs over de hele wereld keren de doden terug op kalenders, posters, in boeken of liederen, op artefacten zoals wandtapijten, bij de jaarlijkse herdenkingen,… In de straten van Beirut verschijnen de revenants ondermeer op posters van martelaren, en andere undead, die een enorme invloed hebben op het leven in Libanon en voor politieke doeleinden worden misbruikt. Een Engelse gezegde leert ons ‘dead men tell no tale’, maar zowel bepaalde personages in fictie (zoals bij Shakespeare), als martelaren via hun vooropgenomen video-testamenten vertellen de doden hun verhalen aan de levenden. In mijn werk sta ik stil bij de conceptuele mogelijkheden en potenties van het kunstwerk zelf. Zoals mijn eigen geschiedenis gelaagd is, zo bevat ook mijn discours verwijzingen naar verschillende filosofen of schrijvers (en hun concepten), zoals Baudelaire, Melville, Duras, Borges, Nietzsche, Toufic, Wittgenstein, Derrida, en anderen. Mijn werk verwijst ook naar andere beeldende kunstenaars door het gebruik van verschillende strategieën van herhaling. Kunstenaars hanteren al lang strategieën van herhaling. Het citeren, kopiëren en modificeren van belangrijke werken uit de kunstgeschiedenis stonden centraal bij het (neo-)klassieke model om kunst te produceren. Dit model werd, gedurende de laatste twee eeuwen, herhaaldelijk betwist door het geloof dat moderne individuen radicaal nieuwe kunst moeten maken door de verdienste van hun eigen spontane creativiteit. Postmoderne critici vielen deze cultus van het individuele genie aan en er ontstond een discursieve ruimte waarin het belang van auteurschap en originaliteit werd betwijfeld. De paradigma’s van strategieën van herhaling (zoals appropriation, re-enactment, remake, retake, repetitie, nabootsing, kopie, verdubbeling, gerneming, etc.) kenmerken sindsdien de hedendaagse kunsten. Mijn eigen positie betreffende appropriation is een andere dan die verdedigd door kunstenaars in het verleden, zoals de generatie kunstenaars en theoretici van de jaren ’80, of die van de popart, surrealisme, dadaïsme of het classicisme. ‘…the specific difference between the momentum of appropriation in the 1980s and today lies in a decisive shift in the relation to the object of appropriation – from the re-use of a dead commodity fetish to the invocation of something that lives through time …’ (Verwoert, 2007) Strategieën van herhaling stellen kritisch in vraag of negeren de eisen en paradigma’s van het modernisme (het geloof in de vooruitgang, de eis van de radicale breuk met het verleden, ...). De herhaling bouwt een labyrint op in plaats van een rechte lijn. Het is net in een labyrint (of een ruïne) dat de revenant kan wederkeren (Toufic, 2003) en een breuk veroorzaken. ‘The cultural experience (that) the discourse of appropriation conveys under the sign of postmodernity is that of a radical temporal incision’ (Verwoert, 2007). De wederkeer kan voor een breuk zorgen, een breuk in de tijd: ‘it makes events untimely through recurrence’ (Toufic, 2000). Deze breuk in de tijd is net wat de revenant – die altijd in wezen oneigentijds is - door zijn wederkeer veroorzaakt.

Onderzoeksprojecten

Onderzoek gebeurt aan de school of arts in de vorm van postdoctorale onderzoeken, doctoraten, PWO-projecten en meerjarige onderzoeken. Al deze projecten worden gesteund door het onderzoeksfonds Hogeschool Gent en zijn wat inhoud betreft verdeeld over de zeven vakgroepen. Hieronder vind je een overzicht van de lopende en afgeronde projecten. Een volledig overzicht van al het onderzoek aan HoGent is te vinden in de database Pure.